De Hoge Raad stelt vast dat de biologische moeders uit eenoudergezinnen hebben het recht om de geboorte- en kinderopvangtoeslag met nog eens tien weken te verlengen die ze al hadden herkend. Zo kan de enige ouder in totaal genieten van 26 weken verlof In plaats van aanvankelijk de zestien, wordt het Arbeidersstatuut gepland en gereguleerd. Deze mislukking is niet nieuw, want zoals deze media hebben bericht, zijn er ook andere Uitspraken van het Hooggerechtshof erkennen dit recht.
Volgens de uitspraak van het Hooggerechtshof (beschikbaar bij de rechterlijke macht), is het eens met een werkneemster aan wie de gevraagde verlenging door het Rijksinstituut voor Sociale Zekerheid werd geweigerd vanwege administratief stilzwijgen (zij reageerde niet op het verzoek). Deze vrouw, moeder van een zoon geboren in 2021 en de enige ouder van het gezin, beweerde de erkende 16 weken te verdubbelen tot 32 weken dat een tweeouderpaar het leuk zou vinden om de machtigingen van beide ouders toe te voegen.
In de uitspraak wordt uitgelegd dat de 10 extra weken komen overeen met die welke artikel 48.4 van het Arbeidersstatuut erkent als de “andere ouder” van de biologische moeder zodra de eerste zes zijn uitgesloten, waarvan noodzakelijkerwijs ononderbroken en onmiddellijk na de bevalling moet worden genoten. De Hoge Raad aanvaardt de vordering van appellante daarom niet volledig en beperkt de verlenging tot de periode die geen verband houdt met de verplichte rusttijd na de bevalling.

De wijziging in de criteria is een reactie op uitspraak 140/2024 van 6 november, waarin het Grondwettelijk Hof de ongrondwettigheid door weglating van de artikelen 48.4 van de ET en 177 van de Algemene Sociale Zekerheidswet (LGSS). Het garantieorgaan begreep dat de regeling leidde tot discriminatie op basis van geboorte onder minderjarigen die zijn opgegroeid in eenoudergezinnen en degenen die geboren zijn in tweeoudergezinnen, in strijd met artikel 14 van de Grondwet in relatie tot artikel 39. Deze doctrine heeft er dus voor gezorgd dat in latere uitspraken overeenstemming werd bereikt met eenoudergezinnen, zoals de vier vonnissen die het Constitutionele Hof zelf heeft uitgesproken die het recht van deze gezinnen op 26 weken verlof herhaalde.
Verandering van de doctrine van het Hooggerechtshof
Het Hooggerechtshof wijzigt de doctrine die het had vastgelegd in uitspraak 169/2023 van 2 maart, waarin het weigerde deze uit te breiden door te overwegen dat de erkenning ervan betekende het creëren van een nieuw premievoordeel en het wijzigen van het wettelijke regime van de opschorting van de arbeidsovereenkomst, functies die overeenkwamen met de wetgever en niet met de rechters. Nu, na de ongrondwettigheid van de voorschriften, begrijpt de Sociale Kamer dat moet een nieuwe doctrine vaststellen aangepast aan de criteria van het Grondwettelijk Hof, reeds herhaald in de zinnen 147/2024, 149/2024, 150/2024, 151/2024 en 155/2024.
In die zin legt de Hoge Raad uit dat STC 140/2024 zelf heeft vastgesteld dat, zolang de wetgever de hervorming van de regelgeving niet aanpakt, de toestemming van artikel 48.4 van de ET moet worden geïnterpreteerd door de resterende 10 weken op te tellen bij de 16 weken van de biologische moeder van de niet-bestaande ouder. Zo ook het Hooggerechtshof had in eerdere verklaringen al de verplichting bevestigd om deze 10 extra weken te erkennen wanneer de biologische moeder de periode aanvraagt die overeenkomt met de andere ouder.
Gevolgen voor de opschorting van het contract
De uitspraak maakt duidelijk dat de uitbreiding van de vergunning zich sindsdien ook uitstrekt tot arbeid verlengt de schorsing van de arbeidsovereenkomst tijdens die extra weken. Gedurende die tijd hebben bedrijven de verplichting om bij te dragen voor de werknemer, tenzij een latere regelgevende tussenkomst dit aspect wijzigt.
De Hoge Raad weigert echter uitspraak te doen over de wijze van uitvoering van de straf in die gevallen waarin de minderjarige de leeftijd waarop het feitelijk genot van de vergunning mogelijk is, al heeft overschreden. Het Hooggerechtshof geeft aan dat deze kwestie, waar passend, overeenkomt met de sociale rechtbank in de uitvoeringsfase en afhankelijk van de omstandigheden van elke zaak.