De Hoge Raad bepaalt dat de Werknemers met een vast rooster moeten minimaal bewijs overleggen waaruit blijkt dat zij overuren hebben gewerkt voordat het bedrijf de daadwerkelijk gewerkte dag moet rechtvaardigenzelfs wanneer de werkgever niet de door artikel 34.9 van het Arbeidersstatuut vereiste dagelijkse administratie heeft bijgehouden. De doctrine gaat ervan uit dat het simpele gebrek aan registratie niet voldoende is voor de rechter om de in de rechtszaak geclaimde overuren te aanvaarden.
Het Hooggerechtshof verwerpt in zijn uitspraak van 15 april 2026 het beroep tot cassatie voor de eenmaking van de doctrine, ingediend door een slagerijbediende uit Guadalajara, die Hij vorderde 13.319,48 euro van zijn werkgever wegens excessieve arbeidsuren voor de jaren 2021 en 2022. Het bedrijf had alleen de tijdregistratie verstrekt die overeenkwam met drie specifieke maanden en erkende 1.000 euro als overwerk, een bedrag dat door de rechtbank moet worden betaald.
De werknemer beweerde dat, aangezien het bedrijf geen urenregistratie bijhield, Het moest de werkgever zijn die aantoonde dat er geen sprake was van overwerkzonder dat hij vooraf bewijs hoeft te leveren. De Hoge Raad verwerpt deze interpretatie en verduidelijkt dat het niet naleven van artikel 34.9 van het Arbeidersstatuut niet in alle gevallen dezelfde gevolgen heeft.

Twee verschillende bewijskrachtregimes
De Sociale Kamer onderscheidt twee situaties als het gaat om de verdeling van wie wat moet bewijzen. In posities met onregelmatige uren of onderhevig aan oproepenis het het bedrijf dat moet bewijzen dat de dag daadwerkelijk heeft gewerkt. Het Hooggerechtshof wijst erop dat als de werkgever ‘niet voldoende bewijs levert om de gewerkte uren te bewijzen en de vereiste urenregistratie niet bijhoudt, de door die werknemer aangevoerde informatie als waar moet worden beschouwd’, zolang de uren nauwkeurig zijn gedetailleerd en zij geen ‘onlogische of absurde beweringen doen die de rechterlijke instantie niet kan accepteren’.
Aan de andere kant, als de werknemer een vast rooster heeft dat bij beide partijen bekend is, hoeft het enige dat bewezen moet worden de uren te zijn die buiten dat rooster gewerkt worden. In dit tweede geval concludeert de Hoge Raad dat het ontbreken van het dossier “niet kan worden uitvergroot” en dat het de werknemer is die “verantwoordelijk zal zijn voor het bewijzen dat het genoemde vooraf bepaalde schema niet overeenkomt met de werkelijkheid omdat er teveel uren zijn gemaakt”, op voorwaarde dat voldoende bewijs die verder gaan dan alleen een eenzijdige verklaring.
De rechtbank voegt hieraan toe dat deze verdeling van de bewijslast “hetzelfde is (…) in de kwestie van de grondrechten”, waarbij de eiser ook een indicatief panorama moet verstrekken om het bewijsmateriaal te kunnen ongedaan maken. Op dezelfde manier geeft het aan dat de gegevens van een werkdagregistratie voldoen aan de eisen van objectiviteit, betrouwbaarheid en toegankelijkheid zoals vastgelegd in de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 14 mei 2019 “hebben het procedurele vermoeden dat ze waar zijn.”
Toegestane indicaties en vereisten voor specificatie
Het Hooggerechtshof somt voorbeelden op van indirect bewijs dat de werknemer had kunnen leveren, zoals “aankoopkaartjes bij de kassa van de slager waarop de tijd en de receptionist staan vermeld, leveringsbonnen voor bevoorrading of een getuige van levering die niet afhankelijk is van het bedrijf.” In het geanalyseerde geval heeft de eiser destijds geen van deze voorstellen voorgesteld en ook niet verzocht om overlegging van het register als bewijsstukken.
De uitspraak voegt eraan toe dat, zelfs als de werknemer voldoende bewijs levert, de rechter mag niet automatisch veroordelen de werkgever om het gevorderde bedrag te betalen. De werknemer moet “de gewerkte uren identificeren en specificeren, en daarbij een voldoende nauwkeurige kwantificering verstrekken die de werkgever in staat stelt zijn verdediging te formuleren.”